Pieter Philip van Bosse (Amsterdam, 16 december 1809 – Den Haag, 21 februari 1879). Hij studeerde in Amsterdam en in Leiden Rechten, waar hij in 1833 promoveerde. Oorspronkelijk was hij fabrikant en advocaat. Hij kocht in 1835 voor ruim 19.500 gulden een zoutziederij in Muiden. Dit bedrijf raffineerde ruw zeezout tot consumptiezout. Dit bedrijf bleek niet erg winstgevend en hij verkocht het bedrijf in 1838 en verlegde zijn carrière naar de advocatuur en vestigde zich als advocaat in Amsterdam, waar hij o.a. enige tijd werkzaam was als secretaris van de commissie voor de Rijnvaart. In 1845 benoemde minister van Hall benoemd tot referendaris aan de afdeling In- en Uitvoerrechten van het ministerie van Financiën, waar hij drie jaar later benoemd werd als tijdelijk hoofd van dit ministerie welk later overging in een vaste benoeming.
Van Bosse is niet minder dan zesmaal minister geweest. Viermaal van Justitie en tweemaal van koloniën. Eerst had hij bijna vijf jaar zitting in de opeenvolgende kabinetten van Schimmelpenninck (3 juni tot 21 nov. 1848}, de Kempenaer- Donker Curtius (21 nov. 1848 tot 1 nov. 1849), en het eerste ministerie van Thorbecke (21 nov. 1849 -19 april 1853) waarin hij telkens de portefeuille van financiën beheerde. Wederom werd van Bosse minister van financiën in het kabinet Rochussen (18 maart 1858- tot het kabinet viel op 23 febr. 1860). Vervolgens trad hij aan als min. Van financiën in het kabinet Fransen van de Putte, dit was echter van korte duur (10 febr. 1866-1 juni 1866). Daaraanvolgende werd hij voor de vierde maal minister, wederom van financiën in het ministerie van Bosse-Fock (4 juni 1868 – 4 jan. 1871). Dat eveneens met hem kwam en ging. Kort daarop volgde het derde ministerie van Thorbecke genaamd (4 jan.1871 -6 juli 1872). Van Bosse was hierin anderhalf jaar met de Koloniën belast, terwijl hij voor de laatste maal de ministerszetel innam in het kabinet Kappeyne van de Coppello. (3 nov. 1877 – 20 aug.1879) wederom voor Koloniën.
Van de Bosse overleed zes maanden vóór de val van dit kabinet. In de jaren tussen alle ministeriële zetels maakte Van Bosse deel uit van de Tweede Kamer, hij vertegenwoordigde diverse districten te weten Rotterdam (1853-1858), Zutphen (1860-1866) en Dordrecht (1867-1868). Vooral tijdens zijn eerste ministerschap ontwikkelde hij een enorme werkkracht in het regelen en hervormen van de verwarde financiën. Rond de de jaren 1848 waren het moeilijke tijden. ‘Deficits’ (tekorten) moesten worden aangevuld, buitengewone middelen worden opgespoord en de gewone inkomsten versterkt worden. Tal van voorstellen werden voor dat doel bij de kamers ingediend.
Het resultaat mocht er wezen. Het belastingwezen werd verbeterd, het credit van de Nederlandse Staatsfinanciën verhoogd, handel, scheepvaart en nijverheid geraakten tot nieuwe bloei. Ook in het postwezen werd door van Bosse grote verbeteringen aangebracht: het briefport verlaagd, het bestaande zegelrecht (belastingen) op de dagbladen werden afgeschaft, hierdoor werden de kranten goedkoper. Kortom vriend en vijand waren eenstemmig in de hem toegekende lof: ”Zelden werd omzichtiger en nauwgezetter met ‘s lands gelden omgegaan dan in de dagen van Van Bosse.” Iedereen roemde hem als een bij uitstek praktisch staatsman, aan wie Nederland en Indië beide veel verplicht zijn. ‘Redding door bezuiniging “was zijn wachtwoord. Tot ver in het buitenland was de naam van den bekwame en financier doorgedrongen. Zelfs de keizer van Oostenrijk raadpleegde in 1865 van Bosse over een hervorming van de verwarde staatsfinanciën in zijn rijk.
Naast het drukke politieke leven heeft van Bosse ook een gezinsleven gehad. Hij was gehuwd met Maria Johanna Reijnvaan (geb.7 jan.1809 in Amsterdam, overleden 10 febr. 1864 in Den Haag. Samen kregen zij zeven kinderen. Een van hen Maria Philippine (1864) een bekende schilderes trad in het huwelijk met de landschapsschilder Bilders.




